Hoe leid je anderen naar jouw ideale wereld?

In mijn vorige artikel besprak ik leiderschap en hoe dit eigenlijk draait om jouw persoonlijke ethiek. Ik definieerde persoonlijke ethiek als het antwoord op de vraag: “In wat voor wereld wil jij leven?” Echter, om gevolg aan je persoonlijke ethiek te geven en anderen met je mee te krijgen, moet die ethiek de gedeelde waarden van de groep die je leidt vormgeven. Jouw ethiek en je waarden moeten gedeelde noties van ‘het goede’ worden. Veel filosofen hebben nagedacht over wat ethiek is in de zin van handelen in het algemeen belang. Laten we eens een paar van die gedachten nader onderzoeken om inspiratie uit te putten voor de vervolgstappen in het realiseren van onze ideale wereld.

De zeven werken van barmhartigheid, Meester van Alkmaar, 1504
Een Hollandse stad vormt het decor voor een beeldverhaal dat laat zien hoe een goed christen hulpbehoevende mensen moet helpen.
Hume: ‘Goed’ is wat goed voelt

De Schotse filosoof David Hume vond dat het onmogelijk is om objectieve en onafhankelijke ethische regels te bedenken: “Waarden prikkelen emoties, en produceren of voorkomen handelingen. De rede zelf is volkomen onmachtig in dit geval. De regels van de moraliteit zijn daarom geen conclusies van onze rede.” (Hume, 1739, A treatise on human nature, 3.1.1.6 [eigen vertaling]). Dus wat we ‘goed’ noemen is wat voor ons goed voelt. Zodoende moeten we voor anderen aantonen hoe iets hen beter zal doen voelen, hoe iets in hun eigen belang is, om ze te overtuigen dat iets een goed idee is in morele zin.

Nietzsche: ‘Goed’ is wat goed is voor anderen

Man nennt die Tugenden eines Menschen gut, nicht in Hinsicht auf die Wirkungen, welche sie für ihn selber haben, sondern in Hinsicht auf die Wirkungen, welche wir von ihnen für uns und die Gesellschaft voraussetzen

De Duitse filosoof Friedrich Nietzsche trok een meer radicale conclusie uit deze denktrant met de woorden: “Men noemt iemands deugden goed, niet met het oog op de uitwerking die ze op die persoon hebben, maar met het oog op de uitwerking die voor ons en de maatschappij worden verwacht” (Nietzsche, 1882, Die fröhliche Wissenschaft, aforisme 21 [eigen vertaling]). Zodoende veroordeelde Nietzsche de Westerse moraal als een systeem dat ontworpen is door de zwakken om de sterken te bedwingen. Nietzsche gaf er de voorkeur aan de eigen krachten te omarmen en tot uitdrukking te brengen zonder al te veel acht te slaan op de moraal die door de maatschappij werd voorgeschreven. Het gaat wellicht te ver om te zeggen dat Nietzsche voor egoïsme pleitte, maar hij was duidelijk minder bezorgd om harmonie en het vermijden van conflicten dan om het vervullen van de eigen lotsbestemming.

De offerstrijd tussen Orestes en Pylades, Pieter Lastman, 1614

Een verhaal uit de Griekse oudheid: Orestes en Pylades (links) zijn betrapt bij hun poging het beeld van Diana uit de tempel (linksachter) te stelen. Een van hen zal moeten sterven. Bij het altaar twisten de vrienden over de vraag wie zijn leven voor de ander mag geven.
In wat voor wereld leef je nu?

Dus het vaststellen van de aard van onze relatie met onze omgeving gaat wellicht vooraf aan de vraag hoe moreel te handelen. Zien we onze omgeving als vijandig of is ze ons gunstig gezind, is ze gevuld met dreiging of juist kansen? Nemen we een strijdlustige houding aan in onze interactie met onze omgeving of een meer samenwerkende houding?

In het dagelijks leven lijken veel situaties slechts ruimte te laten voor de strijdlustige houding, vanwege onze eigen behoeften en de concurrentiestrijd die we ervaren met anderen om hulpbronnen om die behoeften te vervullen. Tegelijkertijd kunnen we vaststellen dat alles wat we bereikt hebben als mensheid om ons uit het stenen tijdperk te verheffen gefundeerd is op onderlinge samenwerking, nadat we met behulp van ons verstand de situatie hebben overzien.

Levinas: kun je een stap achteruit zetten voor het aanzien van de Ander?

Veel hangt af van onze kijk op de toekomst: gaat het om het beschermen van mijn/onze belangen, wat een strijdlustige benadering zou impliceren, of; gaat het om het goed laten gedeien van onze wederzijdse belangen, wat een samenwerkende houding zou impliceren.

De Franse filosoof Emmanuel Levinas stelde dat de eerste vraag waar de filosofie zich mee bezig dient te houden de vraag ‘hoe te handelen?’ is. Hij bedacht een stelsel niet zozeer om die vraag voor eens en voor altijd te beantwoorden, maar probeerde het krachtenveld uit te leggen waarin ons denken zich bevindt waarmee we ons eigen antwoord kunnen vinden.

Een poging om zijn ideeën heel kort (en ruwweg) te beschrijven:

  • Levinas dacht dat mensen van nature geneigd zijn hun eigen doelen na te streven en daarbij alles om hen heen bezien in relatie tot die doelen: nuttig, niet nuttig, kans, bedreiging. Mensen gaan zodoende op in zichzelf, waarbij ze de hele wereld als het ware in zichzelf opnemen – Levinas noemt dit totaliseren.
  • Maar we zijn niet alleen op de wereld. Wanneer wij geconfronteerd worden met de aanblik van anderen worden we ‘automatisch’ uitgenodigd op ze te reageren – we hebben feitelijk geen keuze dan om te reageren. Zelfs als we besluiten de Ander te negeren is dat een reactie. We zijn geboden, gedwongen, uitgenodigd om te reageren op wat de Ander van ons blijkt te verlangen.
  • Echter, om in staat te zijn die Ander volledig te kunnen ‘aanzien’ moeten we dat opgaan-in-onszelf, het totaliseren, onderbreken.
  • Dit lukt ons alleen maar als onze afhankelijkheid van de wereld in balans is tussen ascese (zich volledig onttrekken aan de wereld) aan het ene uiterste, en; verslaving (het geheel opgaan in het vervullen van een bepaalde behoefte) aan het andere. Levinas noemt deze gebalanceerde toestand het ‘genieten’. Bijvoorbeeld: we moeten allemaal eten, maar de meesten van ons kunnen kiezen wat het moment voor hun volgende maaltijd is; zodoende kunnen we van eten genieten. Dit laat ons ruimte om open te staan voor de Ander, de Ander aan te zien.
Portret van een jonge vrouw met de hond Puck, Thérèse Schwartze, ca. 1879 – ca. 1885
Kun jij de Ander aanzien?
Inschikken voor het Goede begint met matigheid

De les die ik trek uit Levinas’ filosofie is dat matigheid (één van Plato’s vier kardinale deugden; de anderen zijn ‘moed’, ‘wijsheid’ en ‘rechtvaardigheid’) vereist is om gewetensvol met de wereld om te gaan. Matigheid wordt niet alleen van mij verlangd, maar ook van anderen om ze in staat te stellen zich voor morele samenwerking in te zetten. Een wereld die verblind is door een zucht naar ‘meer’ kan niet openstaan voor de behoeften van anderen.

Zijn wij vrij genoeg om van het leven te ‘genieten’ (in termen van Levinas), zodat we een keuze hebben hoe we op anderen in onze omgeving reageren? Of zijn we overmatig gehecht aan dat wat we reeds hebben, bang om het te verliezen, erop gebrand het te beschermen en te verdedigen, of er zelfs meer van te willen, onze omgeving als vol van dreiging beziend?

Kant: ‘Goed’ is wat voor allen goed is

Als je voor jezelf, net als ik, tot de conclusie komt dat de beste wereld uiteindelijk er een is waar allen een fatsoenlijk leven kunnen leven op basis van een houding van ‘leven en laten leven’, dan zijn de zogenaamde categorische imperatieven van de Duitse filosoof Immanuel Kant goede uitgangspunten om je eigen visie aan te staven. Hun twee voornaamste formuleringen zijn:

“Handel enkel volgens die maxime (gedragsregel), waarvan je tegelijkertijd kunt willen dat zij een algemene wet zou worden” (Kant, 1785, Grounding for the metaphysics of morals, p.31)

“Handel zo dat je de mensheid, zowel in je eigen persoon als in de persoon van ieder ander, nooit als louter middel gebruikt, maar steeds ook als doel” (Kant, 1785, Grounding for the metaphysics of morals, p. 38).

Met dit korte ethiekcollege hoop ik je te hebben geïnspireerd je eigen leiderschapsvisie nader uit te werken.

De kernvragen om over na te denken zijn naar mijn mening deze:

  • Is de wereld waar ik in wil leven een plek waar ik de overwinnaar ben over verslagen tegenstanders of bedreigingen, of is het een plek van ‘leven en laten leven’?
  • Veronderstelt mijn visie matigheid voor mijzelf en anderen?
  • Hoe draagt mijn visie bij aan de behoeften van anderen?

Ik ben benieuwd naar je gedachten.

Jakobs droom, Ary de Vois, 1660 – 1680
Elke visie (elk visioen) begint met een op idealen geïnspireerde droom.

Krijg elk kwartaal gratis nieuwe inspiratie!

Goeie website? Deel het graag!